'Hout, bomen'

Carousel

Op 10 januari was het zover: mijn eerste klassieke live-concert. Ik heb thuis wel cd’s hoor, en heus niet alleen van Het Kruidvat, dus ik wist ongeveer wel wat me te wachten stond. Maar het verschil tussen thuis naar een cd'tje luisteren en in een zaal de musici meemaken, laat zich denk ik door de meer ervaren concertganger gemakkelijk raden: het oog voegt duidelijk iets toe, net als de akoestiek en de bijbehorende, voelbare trillingen. Al met al was het optreden van Carousel in De Vereeniging een totaalervaring die ik thuis niet had kunnen creëren, ook al ging het hier om kamermuziek. 

Carousel is een Brussels ensemble dat is opgericht door klarinettiste Annelien Van Wauwe, die deze avond speelde met Alexandra Soumm (viool), Nicolas Dupont (viool), Mihai Cocea (altviool) en Louis Rodde (cello). Hun programma 'Rêverie' bestond uit stukken van Glazoenov, Dohnányi en Brahms. Zoals de titel al doet vermoeden, namen hun tonen ons mee naar een droomwereld.

Voor mij roept de klank van hout altijd droombeelden op van de wilde natuur. Soms lieflijk, soms woest. Soms weer wat anders, want de natuur kent oneindig veel verschijningsvormen in oneindig veel gradaties. Deze associaties komen door het hout van de instrumenten zelf. Doordat ik ook net aan het lezen was in The Overstory van Richard Powers (in het Nederland verschenen als Tot aan de hemel), zat ik helemaal met mijn hoofd in de bomen. Wij mensen schijnen redelijk boomblind te zijn. Misschien dat we bomen daardoor niet waarderen voor wat ze zijn. Maar in het boek van Powers is dit anders en spreken de bomen mensen aan. Niet in mensentaal, maar door hen op andere manieren aan zich te binden. Door die linguïstische taalbarrière begrijpt alleen de goede verstaander hun boodschap (die ik hier niet zal verklappen). Maar ook muziek is taal. De klarinet, (alt)violen en cello kunnen ons allemaal goede verstaanders maken: we zijn niet boomdoof als de bomen zich via hun hout tot ons richten. Of althans, ík ben dan niet boomdoof.

De opgevoerde stukken lieten duidelijk hun herkomst in de Romantiek horen. Dat zorgde in mijn hoofd voor natuurlijke taferelen die levendig waren, lieflijk, dramatisch en vol weemoed. Ook destijds was de boskap al zo fanatiek, dat er veel natuurverlies te betreuren viel – een verlies dat in onze tijd alleen maar groter wordt en tot meer weemoed strekt. Er waren hier geen klimaatactivisten die opstonden voor een wake-up call. Maar voor mij was (en of de musici het zo bedoeld hadden, weet ik niet) het hele met hout gespeelde optreden in combinatie met het boek van Powers toch een oproep om niet tegen de natuur in te willen gaan, maar met de natuur te spelen en zo de prachtigste sferen te creëren. 'Rêverie' maakte dat allemaal weer in me wakker doordat ik een van leven vibrerend lentebos ging zien – ik meende zelfs hommels te horen zoemen! Nu eens klonken de melodieën synchroon, dan weer eens liepen de ritmes door elkaar heen; het was de lyrische uitbundigheid van de natuur zelf die voelbaar was. 

Wat ik me niet eerder zo gerealiseerd had, is dat musiceren zo'n beweeglijke activiteit is. Dat zie je dus niet als je thuis naar een cd luistert. Van Wauwe, Soumm, Dupont, Cocea en Rodde leken te dansen met hun instrumenten. Later, bij de borrel, hoorde ik de cellist zoiets zeggen als 'je moet leren om je instrument niet als een persoon te zien', om daarop meteen toevoegen dat hij zichzelf daar nog elke dag aan moest herinneren. Maar waarom zou je als musicus je instrument niet als persoon zien? Het hout als danspartner kiezen? Dansen met bomen?

De dromerij vermengde zich met de realiteit op de terugweg door een stil en donker Nijmegen. En met flarden muziek nog in mijn hoofd trok de boomblindheid op en zag ik ze staan.