NIJMEEGSE
STICHTING VOOR
KAMERMUZIEK

70e SEIZOEN—JUBILEUM

2019—2020

Wereldpodium Nijmegen – dertig portretten

Het eerste concert
24 oktober 1950

Het eerste concert van de heropgerichte Nijmeegse Vereniging voor Kamermuziek vond plaats op 24 oktober 1950. Dat gebeurde als vanouds in De Vereeniging, die in de oorlog niet zwaar geleden had en inmiddels weer helemaal bruikbaar was voor concerten en andere voorstellingen. Het eerste concert werd gegeven door de Poolse pianist Jan Smeterlin. Hij was op dat moment 58 en had al een flinke carrière achter zich. Smeterlin had rechten gestudeerd voor hij gelegenheid kreeg zich bij de grote Leopold Godowsky te scholen tot concertpianist. Hij was bevriend met de componist Karol Szymanowski, die een aantal van zijn Mazurka’s aan hem opdroeg. Smeterlin had al voor de oorlog een grote naam opgebouwd als vertolker van Chopin. Hij bracht de bezettingsjaren in Londen door, als een van de vele Polen in ballingschap. Na de oorlog leek het passend juist deze musicus uit te nodigen voor het eerste concert. Hoewel de vleugel een storend rammeltje in de bas liet horen, overtuigde Smeterlin zijn Nijmeegse luisteraars met zijn heldere toucher, zijn energie en zijn ‘verstild pianissimo’, zoals Arie Peters in het Nijmeegs Dagblad schreef. Hij pakte uit met een flink programma, dat opende met Schumanns grote Fantasie in C opus 17. Daarna volgden de Paganinivariaties opus 35 van Brahms, een half Chopinprogramma met walsen, mazurka’s, het eerste Scherzo in b opus 20 en de eerste Ballade in g opus 23, en tot slot Beethovens pianosonate nr. 25 in G opus 79. Een dankbaar begin. De toon was gezet. In 1956 kwam Smeterlin nogmaals naar Nijmegen voor een recital in de serie. Hij zou in 1967 overlijden, 75 jaar oud. Nog steeds geldt hij bij specialisten als een van de beste Chopin-uitvoerders, vanwege zijn heldere, eerlijke, dienstbare spel. De plaatopnamen die hij in de jaren vijftig onder andere voor Philips maakte, bevestigen dat.

 

Volmaakt samengaan
6 december 1950 | 12 februari 1952 | 15 februari 1955 | 10 februari 1965 | 30 oktober 1968 | 1 maart 1972 | 16 maart 1977

De tweede concertavond van de heropgerichte Vereniging voor Kamermuziek werd verzorgd door het Quartetto Italiano. Begonnen in 1945/1947, als Nuovo Quartetto Italiano, met Paolo Borciani en Elisa Pegreffi viool, Piero Farulli altviool en Franco Rossi, cello, ging dit ensemble snel gelden als een van de allerbeste ter wereld. Het kwartet trad maar liefst zeven keer op in de Nijmeegse kamermuziekserie. De ene kwartetavond deed niet voor de andere onder in perfectionisme, spelvreugde en eenheid van geest. In 1950 moesten de kamermuziekseries al om hen touwtrekken. Het Quartetto Italiano werd een begrip. Het was naast het al even vermaarde Amadeus Quartet hét strijkkwartet van de jaren vijftig, zestig en zeventig. Zij trokken overal ter wereld volle zalen. Bij het tweede optreden van de Italianen in Nijmegen, 12 februari 1952, moesten er in de kleine zaal stoelen worden bijgeplaatst. De recensent (A.M.) sprak van ‘een vervoerende muzikaliteit en een spirituele vertolkingskunst’ en sprak zijn bewondering uit voor het ‘volmaakt samengaan, de eenheid van geest en wil’ en het feit dat de kwartetleden elkaar zó goed aanvoelden dat ze alles uit hun hoofd konden spelen zonder dat er ook maar één nuance verloren ging. Ook in februari 1955 veroverden ‘de vier vingers aan één hand’ de harten van de luisteraars, die er maar geen genoeg van konden krijgen, zodat enkele toegiften volgden. Het hoge niveau bleef gegarandeerd. Ook hun latere optredens klonken nog als ‘één zang, één toon, één vloeiend geluid’. Het publiek genoot, al constateerden de recensenten in 1968 en 1972 dat de modernere werken (van Strawinsky en Webern) ietwat onwennig ontvangen werden. Bij hun laatste Nijmeegse optreden, in 1977, was er ook na dertig jaar samenspel (weliswaar niet meer uit het hoofd) geen greintje routine te beluisteren en klonken hun uitvoeringen nog even fris en overtuigend. Dit superieure ensemble legde tot aan de opheffing in 1980 de allerhoogste vorm van perfectie en inlevingsvermogen aan de dag.

 

Levende legende
26 februari 1951 | 27 januari 1953

Clara Haskil was al een legende toen zij, 56 jaar oud, door de zelf nog piepjonge Nijmeegse Vereniging voor Kamermuziek werd uitgenodigd voor een optreden. Voor pianisten is het als met goede wijn: hoe ouder, hoe beter. In Nijmegen moet het gegonsd hebben van de spanning. Negen jaar later zou zij op tragische wijze op een Brussels station door een dramatische val van de trap aan haar einde komen. De wereld verloor toen een van haar allergrootste pianisten. Haar vertolkingen van Beethoven, Schumann en Scarlatti werden alom geroemd. Deze componisten prijkten dus bijna vanzelfsprekend op het programma van dat gedenkwaardige optreden in Nijmegen. Arie Peters, de toenmalige muziekrecensent van het Nijmeegs Dagblad sprak van een concert met ‘standing’. Hij zocht naarstig naar een puntje van kritiek en vond de interpretatie van Bach en Scarlatti iets te romantisch (toen al), maar, zo voegde hij er gauw aan toe, er is geen reden waarom we de soliste niet de hoogste lof zouden geven. Hij vond haar toucher van een zo grote fijnheid, dat ‘de vele intieme stukken betoverend klonken’. Dit februariconcert was opvallend genoeg ook meteen het laatste van het seizoen. Het toen nog beperkte aantal abonnees was blijkbaar nog te gering om meer dan vier concerten te organiseren. Twee jaar later kwam Clara Haskil weer, nu ook met een pianosonate van Mozart. Want met haar Mozartvertolkingen was zij absoluut nummer één in de wereld. Het was zó druk bij dit concert dat er mensen op het podium moesten plaats nemen. Bij dit concert durfde de recencent geen kritische noot meer te kraken, want hij sprak nu alleen nog maar van ‘diepe ontroering bij de toehoorders’.

 

Met honing bestreken
11 december 1951

Toen de befaamde bariton Gérard Souzay optrad in het tweede seizoen van de NSvK, verkeerde hij zo ongeveer op de toppen van zijn kunnen. Van zijn stembanden werd gezegd dat zij met honing waren bestreken. Vanaf het begin van zijn carrière, zes jaar eerder, trad hij altijd op met pianiste Jacqueline Bonneau, met wie hij samen op het Parijse conservatorium had gestudeerd. Ook deze avond was hij zijn begeleidster trouw. Pas later zou hij gaan kiezen voor de gespecialiseerde liedbegeleider Dalton Baldwin, die in 1973 ook met de Nederlandse diva Elly Ameling in Nijmegen zou optreden. Souzay werd geroemd om zijn perfecte dictie en om zijn stijlgevoel. Hij werd om die reden op één lijn gesteld met zijn toen nog jonge Duitse podiumconcurrent Dietrich Fischer-Diskau als het ging om wie de grootste lyrische bariton van zijn tijd was. Als Souzay zong, hoorde en voelde je altijd de emotie die in de muziek en de teksten zit opgesloten. Nooit was zijn zang droog of kleurloos. In het programma van 11 december 1951 kon het Franse repertoire – zijn specialiteit – natuurlijk niet ontbreken. Hij zong liederen van Machaut (solo gezongen), Debussy en Ravel. Maar hij was ook dol op het Duitse lied, dus Schubert ontbrak evenmin. De recensent had niets dan lof over zijn optreden: ‘grote beheersing; perfecte pianissimo’s; toverkracht; intens vibrerend’. Als er al iets kritisch moest worden gezegd dan was het over de nét niet perfecte uitspraak van het Duits bij Schubert. Ach, het zal vast geen afbreuk hebben gedaan aan deze legendarische avond.

 

Fijnzinnig en natuurlijk
19 januari 1960

De Oostenrijkse pianiste Ingrid Haebler (1929) werd opgeleid in Salzburg, Wenen en Parijs. Hoewel haar repertoire de muziek van Bach tot en met Strawinsky omvatte, gold zij met name als een vooraanstaand vertolkster van de muziek van Haydn, Mozart, Schubert en Beethoven, de ‘eerste Weense school’. Haar warme, intieme en persoonlijke, zeer expressieve spel met fijnzinnige nuanceringen ging soms in de concertzaal een beetje verloren. Zij was geen uitgesproken podiumartiest. Op de plaat daarentegen wist zij des te meer te overtuigen. Haar vele opnames – de complete oeuvres van Mozart en Schubert – waren in de jaren zestig tot tachtig toonaangevend. Befaamd zijn ook haar concerten en opnamen met de Poolse violist Henryk Szering geworden. ‘Pianospel Ingrid Haebler getuigt van hoge cultuur’, kopte De Gelderlander daags na haar recital op 19 januari 1960. Ze was toen internationaal in opkomst, na het behalen van prijzen op een aantal prestigieuze concoursen in de voorafgaande jaren. ‘Eenvoudig, natuurlijk en oprecht’, vond de recensent haar spel. ‘Oerdegelijk en toch niet verstoken van temperament.’ Haar programma in De Vereeniging omvatte behalve Mozarts Fantasie in c, KV 475 en Schuberts Sonate in G, D 894 en diens Impromptus opus 90 en opus 142 één uitstapje naar de modernere tijd: de Sonatine van Ravel. Het Nijmeegs Dagblad schreef de dag na het optreden: ‘Ingrid Haebler verzorgde een boeiend pianorecital’ en ‘Het werd een uur van de meest lyrische pianospelkunst. .. Enige ‘slips’ [in Ravel] wilde men gaarne vergeten om de virtuoze voordracht.’ Het enthousiaste publiek wist aan de pianiste twee toegiften te ontlokken, van Chopin en Debussy.

 

Adembenemend
28 februari 1967

Bij de NSvK zijn veel grote pianisten te gast geweest, maar tot de categorie van de ‘legendarische’ behoort de Amerikaanse Rosalyn Tureck, die op 28 februari 1967 haar recital gaf in de foyer van de Stadsschouwburg. Daar vonden sinds 1961 de concerten van de NSvK plaats. In zekere zin jammer, want Tureck zou de ideale bespeelster zijn geweest van de grote zaal van De Vereeniging. Rosalyn Tureck behoort naast Glenn Gould tot de eigenzinnigste en meeslependste Bachvertolkers van de twintigste eeuw. Gould bewonderde haar. Geboren in Chicago in 1914 studeerde Tureck aan de Julliard School of Music in New York. Al direct ontwikkelde zij zich tot Bachspecialist, hoewel zij later ook eigentijdse componisten als Dallapicola en Babbitt vertolkte en de elektronische theremin bespeelde. Op haar achttiende kende zij de Goldbergvariaties uit haar hoofd en in de volgende jaren ook het hele verdere oeuvre van Bach. Hoewel zij ook het klavecimbel en het orgel beheerste, voerde zij Bach bij voorkeur uit op de piano. In de jaren vijftig en zestig trad zij regelmatig op in Nederland, onder meer in het Holland Festival. Daarna zou zij zich meer aan het lesgeven gaan wijden, tot zij in de jaren negentig herontdekt werd. Haar Bachopnamen verschenen in de reeks Great Pianists of the 20th Century. Uiteraard gaf Rosalyn Tureck in Nijmegen een Bachrecital, waarin de Goldbergvariaties centraal stonden. ‘Ongeveer 5 kwartier achtereen hield zij onze aandacht gevangen’, schreef het Nijmeegs Dagblad, en dat is inderdaad altijd haar grote kwaliteit geweest. Haar vertolkingen zijn romantisch en persoonlijk, zeker niet authentiek en historisch verantwoord, hoewel zij veel musicologische kennis had. Sinds de jaren zeventig behoort haar spel tot een voorbije tijd. Maar wat was het mooi, boeiend en geconcentreerd. Door haar ingetogen, bijna breekbare toucher en benadering dwingt zij de luisteraar de adem in te houden. Nog steeds, getuige haar opnamen.

 

Het honderdste concert
13 december 1967

Hoewel in de jaren zestig prachtige concerten hebben plaatsgevonden, behoort deze periode niet tot de meest spectaculaire uit de geschiedenis van de NSvK. Het repertoire was vaak gedurfd en interessant, maar de programmering was wat voorzichtig, hele grote namen waren schaars. Wel speelden toentertijd nog regelmatig kamerorkesten in de serie, zoals het Orchestre de Chambre de Versailles, het Kammerorchester van de grote violist Tibor Varga, het Zürcher Kammerorchester, de Solisten van Zagreb en zelfs The Academy of St. Martin-in-the-Fields onder Neville Marriner. Voor het honderdste concert in de serie nodigde de NSvK het Kammermusikensemble Zürich uit. Dit ensemble van vier strijkers met contrabas en vier blazers was in 1958 opgericht door violist Heribert Lauer en bouwde inmiddels internationaal een reputatie op, die tot uiting kwam in een reeks plaatopnamen. Het repertoire omvatte muziek voor kwintet, sextet, septet en oktet en eventueel orkestwerk in kamermuziekbezetting. In de Stadsschouwburg klonken in de winteravond van 13 december 1967 de stralende klanken van Mozarts Serenade in G, KV 525, ‘Eine kleine Nachtmusik’, de Notturno in F voor strijkkwartet en twee hoorns van Michael Haydn en het meesterlijke Oktet in F, D. 803 van Schubert. Eigenlijk had in plaats van de Notturno het Oktet van Paul Hindemith op het programma gestaan, maar de altviolist had verstek moeten laten gaan door een blessure. Dat was spijtig, want het Zwitserse ensemble had juist een naam op het gebied van de moderne, zelfs eigentijdse kamermuziek. Maar het was ook wel eens fijn om de zo bekende muziek van Mozart en Schubert weer eens live te kunnen bijwonen, vond de recensent, in een voorbeeldige uitvoering, want de homogeniteit en klank van het Kammermusikensemble Zürich waren onovertroffen. Het eerste jubileum was een feit.

 

Pianospelende kamergeleerde
4 oktober 1972 | 29 mei 1986

Grote musici wil je als bestuur het liefst natuurlijk meerdere keren uitnodigen, wetende dat men het publiek daar een groot plezier mee doet. Dat gebeurt nu en dat gebeurde toen ook al. En wie zal ontkennen dat Alfred Brendel al in 1972 tot de allergrootsten op zijn gebied behoorde? Dat vond de muziekcriticus van het toen nog bestaande Nijmeegs Dagblad ook, want hij schreef in de krantenkop al dreigend dat ‘de (vele) afwezigen ongelijk hadden’. Bijna veertien jaar later was de naam en faam van deze pianist tot in de kleinste hoeken van Nijmegen en verre omstreken doorgedrongen, want bij dat concert zat de grote zaal van De Vereeniging werkelijk afgeladen vol. Het nauwelijks verhulde verwijt in de krantenkop bij het eerste concert had de afwezigen van toen blijkbaar behoorlijk aan het denken gezet. Bij het eerste concert waren het de Weense klassieken Mozart, Beethoven en Schubert die op het programma figureerden. Iedereen was natuurlijk nieuwsgierig naar de vertolking van Schubert, want juist een Oostenrijkse pianist moest die muziek toch perfect aanvoelen? Het was de tijd dat de grootsheid van de (vooral late) pianosonates van Schubert pas echt werd ontdekt, juist mede dankzij Brendel. Beethovens pianosonates waren natuurlijk al erg lang bekend. Aan de bijzondere kwaliteit van die muziek heeft nooit iemand getwijfeld. Het was ook nog eens de verdienste van Brendel dat hij de eerste was die het complete pianowerk van Beethoven heeft opgenomen. Later ging zijn belangstelling steeds meer uit naar Liszt, wiens muziek ook aan een herwaardering toe was. Het tweede concert, waarbij Brendel er steeds meer uit begon te zien als een pianospelende kamergeleerde, bevatte dan ook een volledige cyclus ‘Italië’ uit diens ‘Années de Pèlerinage’. Een onvergetelijk concert, zo stond te lezen. De (vele) aanwezigen hadden deze keer dus weer gelijk.

 

Betoverende intimiteit
20 februari 1973

Op het podium van de uitverkochte grote zaal één man, met op schoot een klein tokkelinstrument. Julian Bream (1933) was een pionier en werd al snel een autoriteit. Zeker op de luit, het instrument dat hij zichzelf leerde bespelen, was er geen voorganger. Honderden jaren had de prachtigste muziek liggen te verstoffen in de bibliotheken. Zelf opgegroeid met jazz, wekte Bream met zijn luitspel een hernieuwde interesse in de muziek uit de Renaissance, met name uit het tijdperk van koningin Elizabeth I. Zijn luitspel stond bekend om een zeer grote transparantie. Ook op de klassieke gitaar, die aan het begin van de jaren vijftig in Noordwest Europa nog een curiositeit was, werd Bream een (eveneens grotendeels zelfgeschoolde) virtuoos. Hij wist het instrument te laten zingen en het een serieuze plek te geven op het klassieke concertpodium. Met zijn oog voor detail en wisselende klankkleuren werd hij een waar ambassadeur voor de klassieke gitaar. In 1973 was Julian Bream inmiddels een grootmeester. Juist in deze jaren was er bij een breed publiek belangstelling voor de gitaar. Geen toeval dus dat de NSvK dit instrument eens centraal wilde stellen. Zijn recital in Nijmegen was tweeledig. Met zijn luit, meer geschikt voor in een intieme ruimte van een oud landhuis, kreeg hij voor de pauze met werken uit de vroege zeventiende eeuw de grote zaal muisstil. Na de pauze bracht hij met zijn gitaar in een Bachsonate, Iberische muziek van Joaquin Turina en de speciaal voor hem gecomponeerde ‘Five Bagatelles’ van William Walton ‘weergaloos en onovertroffen de zaal in de ban’, aldus recensent Benno Brugmans. Het was een avond waarop de muziek bijna allemaal nieuw was voor de oren van het Nijmeegse publiek, maar ‘na de laatste toon barstte de zaal los in een geestdrift die alle beschrijvingen tart.’ En dat door één man, met een bescheiden instrument op schoot.

 

Topseizoen met gemengde ervaringen
1976–1977

In het seizoen 1976–1977 kwam er nogal wat internationale top naar Nijmegen. Zeker de twee superieure strijkkwartetten, het Tokyo Kwartet en het Quartetto Italiano, gaven uitvoeringen die ver boven het gemiddelde uitstaken. Voor het Quartetto Italiano was dit het laatste bezoek aan Nijmegen. Het Tokyo Kwartet echter stond nog aan het begin van een glansrijke carrière en zou nog vijf keer terugkomen. De vier strijkers uit Japan gaven een ronduit prachtige vertolking van Schubert, Beethoven, Brahms en Webern. Volgens traditie telde de serie twee pianisten. De Pools-Amerikaanse pianist Misha Dichter (1945), een enorm talent dat hoge ogen gooide op de internationale podia, opende het seizoen. Ondanks zijn geweldige pianistiek wist hij volgens de recensent het publiek inhoudelijk niet steeds te boeien. De NSvK nodigde ook een minder bekende pianist van eigen bodem uit voor een recital, Hans Dercksen. Zijn spel was technisch niet altijd even gaaf, maar hij gaf een zeer doorleefde uitvoering van Schubert en Schönberg. ‘Staal en fluweel’, zo typeerde De Gelderlander het recital van meesterviolist Igor Oistrach (1931) en zijn vrouw, de pianiste Natalia Zertsalova. Zij verzorgden een ongewoon boeiende avond met Bach, Beethoven, Mozart en een ‘Grand duo concertant’ van Liszt. Er werd door deze musici, ‘met de noten als vertrekpunt, ter plekke gecreëerd’, schreef de recensent vol bewondering. Veel indruk maakte het ‘Gedicht ter nagedachtenis aan David Oistrach’, Igors nog beroemdere vader. Een teder en zangerig werk met een melancholieke ondertoon, gecomponeerd door Jevgeny Svetlanov, vriend van de in 1974 plotseling overleden violist. Maar grote musici maken nog geen grote muziek. Over het spel van de flamboyante cellist Mischa Maisky (1948), leerling van zowel Piatigorsky als Rostropovitsj, met de ingetogen pianist Alexander Rabinowitsj (1945), luidde het oordeel dat ‘eenheid in stijl en muzikale opvattingen ver te zoeken’ was. Een concert met levendige Franse muziek uit de barok, kundig uitgevoerd door leden van La Petite Bande, vormde een bijzonder besluit van dit seizoen.

 

Geliefde gasten
10 januari 1978 | 29 januari 1982 | 25 januari 1984 | 14 januari 1989 | 18 januari 1994 | 25 januari 1997 | 21 januari 2000 | 28 november 2005

Zoals de indrukwekkende datalijst hierboven toont, is geen ensemble vaker opgetreden bij de NSvK dan het Beaux Arts Trio met zijn onvergetelijke pianist Menachem Pressler. Op één uitzondering na blijken deze concerten altijd keurig midden in het seizoen geprogrammeerd, alsof ze de spil vormen van het seizoen. Violisten en cellisten kwamen en gingen in dit ensemble, maar de stuwende kracht Pressler bleef. Hij leek met het jaar kleiner te worden, maar de kwaliteit van zijn pianospel werd alsmaar groter. Met tussenpozen van twee tot vijf jaar trad dit unieke pianotrio steeds weer in Nijmegen op. Niemand die daar bezwaar tegen kon hebben, zo moeten de toenmalige organisatoren hebben gedacht. En gelijk hadden ze. Het eerste concert vond nog plaats in de zaal van de Nijmeegse Stadsschouwburg. Ondanks de droge akoestiek was het een feest om er destijds in 1978 bij te zijn. Voor de muziekrecensent van De Gelderlander was dit concert bij voorbaat al het hoogtepunt van het seizoen. Hij roemde de aanstekelijke speelvreugde en de fraaie en evenwichtige samenklank. Eenzelfde enthousiasme was er voor het concert in 1982, dat toen gelukkig alweer in de grote zaal van De Vereeniging mocht plaatsvinden. Twee jaar later, in 1984, begon naar zijn smaak het spel van de violist Isidore Cohen wat sleetse plekken te vertonen, maar ondanks dat was het opnieuw een onvergetelijke avond. Werd er dan nauwelijks iets negatiefs gezegd over dit trio? Inderdaad: niets dan lof. Of het zou dit moeten zijn: de repertoirekeuze bleef altijd beperkt tot het ijzeren klassiek-romantische, met uitzondering van Ives en Sjostakovitsj, die beiden éénmaal op het programma stonden. Helaas is het legendarische trio in 2008 opgeheven, anders zou het vast en zeker met dwingende regelmaat op het programma zijn blijven staan. En hebben we niet allemaal heimwee naar de manier waarop Menachem Pressler, gezeten achter zijn vleugel, zich voorover boog en indringende blikken wierp naar zijn medemusici?

 

Explosies van dansvreugde
15 oktober 1982

‘En, was jij er ook bij, toen, in oktober ’82? Wat was dat een fenomenaal concert, zeg! Wij mogen ons gelukkig prijzen dat wij erbij waren.’ Een dialoog die probleemloos opgetekend had kunnen worden bij het fameuze concert van pianiste Martha Argerich die ook wel ‘de duivelse tijgerin achter het klavier’ wordt genoemd. Haar wereldfaam was al vroeg gevestigd, want zij was degene die in 1957 al op zestienjarige leeftijd binnen drie weken zo maar even twee prestigieuze concoursen won: zowel het Internationale Muziekconcours van Genève als het Internationale Busoni Concours. Daarna won zij nog het grote Chopinconcours in Warschau. De grote zaal van De Vereeniging is nauwelijks voller geweest dan toen, in 1982. Tot op het podium zaten de toehoorders, iets wat tegenwoordig niet meer mag. In een interview had Argerich ooit te kennen gegeven zich bij solo-optredens eenzaam te voelen op het podium. Daarom speelde zij graag samen met haar goede vriend, de Braziliaanse pianist Nelson Freire, werken voor piano vierhandig en voor twee piano’s. Ook in Nijmegen traden deze twee toppianisten samen op. De opbouw van het programma was geraffineerd: van een speelse en tintelende Mozart ging het door naar de zwoele en vurige klanken van enkele welgekozen Hongaarse dansen van Brahms. Daarna trad de noodzakelijke rust in met de twee Nocturnes van Debussy/Ravel om dan voluit te gaan in de Symfonische dansen van Rachmaninov. De avond culmineerde uiteindelijk in La Valse van Ravel. De recensent van De Gelderlander sprak met groot enthousiasme van ‘het hoogtepunt van de avond’ dankzij de ‘explosies van dansvreugde’. Het werd alles bij elkaar een meeslepende gebeurtenis waarvan alle aanwezigen inderdaad konden zeggen: geweldig dat wij erbij mochten zijn.

 

Grenzeloos
9 april 1986

In seizoen 1985–1986 stonden maar liefst de pianisten Bella Davidovich en Alfred Brendel, de violist Thomas Zehetmair, mezzosopraan Jard van Nes, het Tokyo Kwartet, het Quartetto Beethoven di Roma en het kamerorkest Musica Antiqua Köln op het Nijmeegse podium. Maar zelfs te midden van deze klassieke sterren was een bijzondere gast de Chinees–Amerikaanse topcellist Yo Yo Ma. YoYo Ma (1955) staat bekend als een veelzijdig cellist die zich steeds verder blijft ontwikkelen, iemand die zijn grenzen verlegt tot ver buiten de klassieke muziek. Hij zoekt daarvoor samenwerking met mensen die hem inspireren. ‘Grenzeloos’ is zijn motto. Ook op 9 april 1986, toen Nijmegen kon kennismaken met dit toen al gevierde fenomeen, speelde hij grenzeloos mooi. Grensoverschrijdend was ook zijn repertoire: niet de klassieke cellosonates, maar eigentijds werk van Georg Crumb naast de Arpeggione- sonate van Schubert en Ma’s eigen transcriptie van de derde vioolsonate in d opus 108 van Brahms. Pianiste Katryn Stott, toen nog niet zo bekend maar in de volgende jaren een van ’s werelds meest gevraagde muzikale partners, ‘toonde zich een perfect begeleidster, daar waar de cello de boventoon voerde. Zodra echter een pianopartij zich profileerde, zoals in Brahms, traden haar grote kwaliteiten pas goed aan het licht’, aldus recensent Gerard op het Veld. In 2002 kwam ze weer terug, met de nog heel jonge Janine Jansen. De adembenemende opening met Schumanns ‘Fünf Stücke im Volkston’ was meteen de graadmeter voor het muzikale niveau van deze musici. Vervolgens soleerde Yo Yo Ma in de Sonate voor cello van George Crumb uit 1955, een werk met zowel ingetogen als jazz-achtige momenten, waarin hij zijn virtuositeit en magistrale inlevingskunst kon uitleven. Na de sonates van Schubert en Brahms besloten enkele toegiften, transcripties van de heerlijke vioolstukjes van Frits Kreisler, deze grandioze avond.

 

Southern gentleman
20 februari 1987

Dat moet een mooie muziekmaand geweest zijn, februari 1987, toen eerst het befaamde Borodin Kwartet in zijn beste jaren op het podium van De Vereeniging zat, en twee weken later de grote Jorge Bolet. Hij was al 73 toen hij voor het eerst optrad in Nijmegen. Het was ook eigenlijk pas in de herfst van zijn carrière dat hij de status verwierf een van de grote pianisten van de eeuw te zijn. In 1988 stond hij in het eerste seizoen van de serie Meesterpianisten in het Concertgebouw, hoewel hij al in 1935 zijn Europese debuut had gemaakt, in datzelfde Amsterdam. Geboren in Havana studeerde Bolet in Amerika bij legendarische pianisten als Moritz Rosenthal, Jozef Hofmann en Leopold Godowsky. Daarnaast was Rachmaninov zijn voorbeeld. Als concertpianist stond Bolet in de traditie van deze meesters van de beheerste virtuositeit en de eigenzinnig romantische frasering. Ook hij werd vaak betiteld als ‘the last romantic’. Toch was zijn spel moderner, met een sobere dienstbaarheid aan de componist. Hoewel Bolet in Amerika een behoorlijke carrière maakte, werd zijn statuur pas betrekkelijk laat opgemerkt. Ondanks zijn indrukwekkende virtuositeit was hij onzeker en bescheiden. Hij had daarbij het nadeel dat Liszt zijn favoriete componist was. Tot aan de jaren tachtig was het werk van Liszt niet erg in tel. Het is mede door het aristocratische, beheerste spel van Bolet dat het pianowerk van Liszt helemaal is teruggekeerd in het grote repertoire. Ook in Nijmegen besteedde de rijzige pianist met het ouderwets deftige voorkomen van de southern gentleman een deel van zijn recital aan de ‘Années de pèlerinage’ van Liszt, het Italiaanse boek met de muzikale herinnering aan Venezia e Napoli. Maar Bolet liet horen dat hij ook Haydns pianosonate nr. 62 in Es Hob. XVI: 52, Schumanns Fantasie in C opus 17 en Griegs Ballade in g opus 24 prachtig kon vertolken. De werkelijk edele uitvoering van deze variatiereeks door Jorge Bolet is nog steeds te beluisteren op Youtube, een in Londen gemaakte live-opname uit hetzelfde jaar 1987.

 

Een goede hand van kiezen
1990–1991

De serie van 1990–1991 was er een waar het bestuur en publiek van de NSvK met een bovengemiddeld goed gevoel op terug mochten kijken. In dat jaar trad een bijzondere combinatie van gevestigde en aankomende klassieke meesters in Nijmegen op. Het begon op 2 november met het Yuval Trio uit Israel, dat al twee maal eerder de harten van de Nijmeegse kamermuziekliefhebbers had mogen verwarmen. Dit trio van absolute wereldtop, dat een tijdlang gelijkgesteld werd met het Beaux Arts Trio, opende met een wat brave Mozart. Maar Beethovens meest introverte trio, opus 70/2 speelden zij zeer uitgebalanceerd, spannend en lichtvoetig. Hoogtepunt was het ontroerende samenspel in het pianotrio in g opus 3 van Ernest Chausson. Twee wereldberoemde strijkkwartetten presenteerden zich op het Nijmeegse podium. Voor het inmiddels vermaarde Tokyo String Quartet was dat al de vierde keer. Het werd op 29 november een unieke avond waarin bevlogen perfectie, subliem inlevingsvermogen en intense expressie tot uitdrukking kwamen in een introverte Mozart, een van binnenuit doordachte Beethoven en een indrukwekkende Zemlinsky. Later dat seizoen, op 15 maart 1991, wist het toen nog jonge Emerson Quartet met ‘zijn uitgebalanceerde vertolkingen en zijn gouden klank’ het publiek tot stilte te dwingen met naadloos samenspel en ongekende uitvoeringsperfectie, vooral in het twaalfde strijkkwartet opus 133 van Sjostakowitsj. In januari en april 1991 was de beurt aan twee sterpianisten. Eerst de jonge Italiaanse pianist Andrea Lucchesini (1965), die voor de pauze de rijke wereld van Debussy opriep met zijn ‘ronde toon en fraaie totaalklank’, en na de pauze vooral een sterke lezing gaf van Rachmaninovs tweede pianosonate. De Franse pianist Cyprien Katsaris wijdde de helft van zijn recital aan de tweehonderd jaar eerder gestorven Mozart, ook in bewerkingen door Liszt, Czerny, Thalberg en Katsaris zelf. Hier gingen, volgens recensent Jeanet Zandbergen, alle remmen los. Tussen deze twee pianorecitals was er een concert van de cellist David Geringas, een van de grootsten van zijn generatie, en zijn vrouw, de pianiste Tania Schatz. Zij maakten vooral indruk met de toen nog bijna nieuwe cellosonate van Alfred Schnittke. Het seizoen kreeg op 7 mei zijn afsluiting met een optreden van de jonge sterren Jean-Yves Thibaudet (1961) die twee seizoenen eerder al een succesvol pianorecital gegeven had in Nijmegen en de violist Joshua Bell (1967), die net internationaal was doorgebroken. Beiden zouden grote namen worden in het mondiale concertcircuit.

 

Veertig jaar jong
4 maart 1996 | 19 december 2012

Het is altijd weer een leuk tijdverdrijf om aan het eind van een seizoen met elkaar te discussiëren over welk concert nu het hoogtepunt was van het seizoen. Voor het seizoen 2012–2013 gingen de meeste stemmen naar het Brodsky Kwartet. Deze keuze werd bepaald door een aantal factoren. Allereerst was daar natuurlijk de kwaliteit van het kwartetspel. De vier musici lieten na afloop weten dat zij ongelooflijk werden geïnspireerd door de akoestiek van de grote zaal van De Vereeniging. Zij formuleerden het als volgt: ‘Wat een enorm plezier om hier in deze zaal en voor dit publiek te spelen. Eén van de meest bijzondere plaatsen in de wereld om muziek te maken.’ Ook de door henzelf geregisseerde omstandigheden moeten een rol hebben gespeeld. Zij zaten niet, zoals een traditioneel strijkkwartet dat doet, nee, zij stonden. En zij wilden musiceren in een nagenoeg donkere zaal. De naklanker van de avond zei hierover: ‘Het Brodsky Quartet wilde spelen voor een donkere zaal. Dat zou beter voor hun concentratie zijn. Wat mij opviel is dat het publiek veel stiller was dan bij de vorige concerten. In ieder geval droeg de donkere zaal bij aan de magie die op deze avond ontstond. Het was soms zo stil dat je een speld kon horen vallen. Hierdoor kwamen de zacht gespeelde noten prachtig tot hun recht.’ En ten slotte was daar natuurlijk het programma zelf. Het Britse Brodsky Kwartet heeft sinds de oprichting in 1972 al veertig jaar een reputatie als vernieuwer van het repertoire. In 1996 voerde het in Nijmegen het nog bijna nieuwe strijkkwartet ‘Jabiru Dreaming’ van Sculthorpe uit. Nu, bij gelegenheid van de tournee om het veertigjarig jubileum wereldwijd op de podia te vieren, mocht de NSvK vrij kiezen uit de enorme repertoirelijst. De Brodsky’s brachten een onvergetelijke uitvoering van Brittens derde strijkkwartet, een romantische Langsamer Satz van Webern, een ontroerende Chaconne van Purcell en een indringende vertolking van het derde kwartet van Sjostakowitsj.

 

Een goed gevoel voor talent
27 november 2002 | 29 januari 2015

Ook wereldsterren hebben aan het begin van een carrière gestaan. Op deze jubileumavond van 29 januari 2015 is Janine Jansen de koningin van het podium, naast Itamar Golan, de begeleider van de grootste violisten van deze tijd. Janine Jansen is een van de best verkopende en meest gedownloade klassieke musici, zij speelt over de hele wereld en krijgt overal juichende recensies. Net als Lang Lang is zij een ster ook bij het grote publiek dat gewoonlijk niet naar de concertzaal komt. Over haar verscheen de glossy Janine. Haar voornaam is een merknaam. Haar publiciteitsfoto’s zijn pure glamour. Janine Jansen studeerde in 1998 af aan het conservatorium van Utrecht. Haar internationale doorbraak kwam in november 2002, door een concert in Londen met de Philharmonia Orchestra onder Vladimir Ashkenazy. Vanaf dat moment trad zij op met de beste orkesten en de grootste dirigenten. Bij Radio 3 van de BBC werd zij New Generation Artist. Haar contract in 2003 met Decca bevestigde haar nieuwe status en maakte een hoge carrièrevlucht mogelijk. En precies in die novembermaand van haar doorbraak, op 27 november 2002, stond zij op het podium van De Vereeniging, in het 53ste seizoen van de NSvK, met aan de vleugel Kathryn Stott, ook al zo’n befaamde begeleidster. Zij speelden een veeleisend programma, met de gepassioneerde vioolsonate van Leos Janácek, het verstilde ‘Fratres’ van Arvo Pärt, de diepzinnige vioolsonate in A van César Franck en Franz Schuberts postuum verschenen Duo Sonate in A, D. 574. The rest is history. Terecht is Janine Jansen vanwege haar intense manier van muziek maken, haar prachtige klank en techniek en haar geweldige podiumpersoonlijkheid een van ’s werelds meest gevraagde musici geworden. Maar de NSvK had al vanaf het begin een goed oog voor haar bijzondere talent. Dat is een kwestie van ervaring. En het geeft een bescheiden gevoel van tevredenheid achteraf.

 

De schoonheid van gedruis
16 februari 2005

Vier jonge dames uit Frankrijk vormden in 1997 het Quatuor Psophos, een strijkkwartet dat gecoacht werd door gerenommeerde leden van beroemde kwartetten zoals het Ysaye Kwartet, het Amadeus Kwartet en het La Salle Kwartet. Als winnaar van het prestigieuze internationale strijkkwartettenconcours in Bordeaux in 2001 kreeg het kwartet toegang tot de grote podia en festivals. Daar deden de vrouwen hun naam – Psophos is Grieks voor ‘gedruis’ – geen eer aan. Zelf vertalen ze de naam als ‘geluidsevenement’ en dat strookt meer met de ervaring. Juist om hun zeldzame kwaliteit in homogeniteit, emotie en stilistische finesse werden zij geprezen. En die eer snelde hen vooruit. Vol verwachting keek Nijmegen, dat de primeur had bij hun optredens in Nederland, naar hun concert uit. De verwachtingen werden niet beschaamd. Ten behoeve van de opperste concentratie werd op hun verzoek het zaallicht gedimd. In deze mysterieuze sfeer genoot het publiek van het delicate kwartetspel van deze vier vakvrouwen. In het derde strijkkwartet van Schumann wisten zij tedere, maar ook smachtende, soms turbulente momenten teweeg te brengen. In het veeleisende strijkkwartet van Maurice Ohana uit 1980 schitterden zij door de perfecte timing en spanningsopbouw en in de excentrieke klankeffecten, zoals glissandi, hamerslag en flageoletten. Het duistere, gebalde laatste kwartet van Mendelssohn, diens ‘Requiem voor Fanny’, werd adembenemend gespeeld. Maar het hoogtepunt was misschien wel de toegift, de met ontroerende intensiteit vertolkte Chacony van Purcell. ‘Cette salle est magique!’, schreven de Psophos in het gastenboek van De Vereeniging. ‘Merci et à bientôt’. Van dat weerzien is het nog niet gekomen, al zou daar goede reden toe zijn. Inmiddels is de samenstelling van het ensemble flink veranderd, maar het behoort nog steeds tot de beste jongere strijkkwartetten van deze generatie. Na diverse wereldtournees is het momenteel vast verbonden aan het Athénée Théâtre Louis Jouvet in Parijs.

 

Rijzende ster, bedwongen tijd
3 oktober 2006 | 23 november 2011 | 22 januari 2014

De NSvK koestert Nederlands talent. En met name Nederlands toptalent. Zodra er een ster van Nederlandse bodem voluit begint te schitteren zorgt de NSvK dat die op het Nijmeegse podium komt. Dus werd het langzamerhand geen tijd om ook de rijzende ster van violiste Liza Ferschtman eens naar de grote zaal van de Vereeniging te halen? Dat dit concert zeer geslaagd was, mocht dan ook geen verwondering wekken. Zoals Liza Ferschtman zelf zei: ‘Wat een zaal!!! Zó veel mensen, ongelooflijk. Wat een eer in deze prachtige zaal en in deze prachtige serie te mogen spelen!’ De onovertroffen akoestiek van de grote zaal, die dan ook nog eens helemaal gevuld is, zweept musici op tot de allergrootste prestaties. Elke keer weer. Liza Ferschtman is inmiddels een van de vaste en geliefde gasten van de NSvK geworden, als ziel van ensembles die hier prachtige muziek voor strijktrio (2011) en pianokwartet (2014) brachten. De Israëlische pianist Inon Barnatan, die hier in 2013 nog terug is geweest met celliste Alisa Weilerstein, raakte zelfs zo verliefd op De Vereeniging dat hij de oude concertvleugel overnam toen de concertzaal in 2005 de nieuwe Steinway kocht. Samen met Inon Barnatan bracht Liza Ferschtman in 2006 een heerlijk programma. Beethovens eerste sonate voor piano en viool vormde de opening van de avond, gevolgd door de prachtige Fantasie van Schubert, waarin het langzame deel een aantal variaties bevat op Schuberts eigen lied ‘Sei mir gegrüsst’. Na de pauze volgden vier korte stukken van Webern, als opmaat voor de wel heel bijzondere eerste vioolsonate van Saint-Saëns, die een rol zou hebben gespeeld in het levenswerk van Marcel Proust: Op zoek naar de verloren tijd. Het mooie van muziek en zeker wanneer die wordt gespeeld door topmusici als Liza Ferschtman en Inon Barnatan is dat de tijd juist niet verloren gaat, maar eerder blijft stilstaan. En juist dát gebeurde die avond.

 

Koele gratie
1 oktober 2007

Zijn voormalige leermeester Alfred Brendel voorspelde hem een gouden toekomst. De Oostenrijkse pianist Till Fellner (1972) won in 1993 de eerste prijs op het Clara Haskil Concours te Vevey. Dit was de opstap naar een glansrijke carrière. Al snel werd hij een veelgevraagde gast op alle grote podia ter wereld. In 1998 ontving hij de ‘Mozartinterpretationspreis der Mozart-Gemeinde Wien’. Sindsdien werd Till Fellner uitgenodigd bij talrijke gerenommeerde orkesten en speelde hij in de grote muziekcentra van Europa, de VS en Japan en op de belangrijkste muziekfestivals. Fellner wordt alom geprezen om zijn gecontroleerde, verfijnde spel, feilloze techniek en de manier waarop hij tot de betekenis achter de noten doordringt. Bach en Beethoven vormen de hoekstenen binnen zijn omvangrijke repertoire. Die componisten stonden dan ook op het programma dat hij bij de seizoensopening van 2007 samen met de Duitse topvioliste Viviane Hagner uitvoerde. Van Bach klonk de vijfde sonate met viool in f, BWV 1018, van Beethoven de vioolsonate nr. 9 in A opus 47, de ‘Kreutzer’. Maar zij braken ook een lans voor Béla Bartóks Eerste Rhapsodie en voor de breekbare Tre Pezzi opus 14 van György Kurtág. Viviane Hagner (1977), die al op jonge leeftijd internationaal doorbrak, is een violiste met een chique, gereserveerde uitstraling. Maar haar viool, de ‘Sasserno’ van Stradivarius uit 1717, wordt in recensies omschreven als donker, expressief en met een rijke, gepolijste toon. Door die combinatie is zij in staat tot ‘een bloedstollend mooi recital, een welhaast buitenaards meesterschap van techniek en artisticiteit’, zoals een recensent over haar schreef. In Nijmegen gaven zij een recital dat in de herinnering is gebleven om de koele gratie van twee stijlvolle musici. ‘What a heavenly place’, schreef Fellner in het gastenboek. ‘This hall brings the music to the highest beauty’. En zo is het ook.

 

De aristocratische mezzosopraan
14 maart 2007 en 2 maart 2011

De mezzosopraanstem van Bernarda Fink is, zoals de hele wereld inmiddels weet, een juweel. Helaas bereikten de klanken van deze gouden stem Nijmegen tot dan toe alleen nog maar via de CD. Werd het dus niet eens tijd om deze aristocratische Argentijnse uit te nodigen voor een optreden in De Vereeniging? Het bestuur heeft er in ieder geval zeer zijn best voor gedaan. Haar eerste concert (2007) met liederen van Brahms en Grieg was, zoals je mocht verwachten, overweldigend. Ook hier weer moet de zaal als derde instrument een zeer belangrijke rol hebben gespeeld, want Bernarda Fink noteerde na afloop: ‘De beste zaal ter wereld!’ En zij kent er een paar. Zij gaf toen al aan dat haar warme stem nu op haar hoogtepunt was. Reden te meer voor het bestuur om haar enkele jaren later opnieuw uit te nodigen. Was het eerste concert een pure liederenavond met Christian Koch achter de vleugel, bij het concert in 2011 was gekozen voor een mengvorm van kamermuziek en liederen. Bernarda Fink werd nu begeleid door het voortreffelijke Hugo Wolf Quartett, uit Wenen. Een ideale gelegenheid dus om het prachtige ‘Il Tramonto’ van Respighi eindelijk eens te programmeren, omdat dat werk juist voor deze combinatie is geschreven. Naast het derde strijkkwartet van Schumann klonk ook de ‘Italienische Serenade’ van Hugo Wolf, de naamgever van het kwartet. Logisch dat daarna een bewerking voor sopraan en strijkkwartet volgde van een selectie uit het ‘Italienisches Liederbuch’ van dezelfde componist. De geboden afwisseling was blijkbaar een aantrekkelijke vorm, gezien de vele enthousiaste reacties van het publiek. In de Naklank van die avond werd het als volgt geformuleerd: ‘De voordracht van Fink is niet alleen heel goed verstaanbaar, maar ook terughoudend; ze laat de tekst en de muziek voor zich spreken. Met als gevolg dat ze af en toe maar een wenkbrauw hoeft op te trekken of haar stem licht te verbuigen om de zaal aan het eind van elk lied tot ingehouden instemmende geluiden te verleiden.’

 

De Schepping als afscheid
21 mei 2007

Kwaliteit en verdienste worden in deze wereld niet altijd beloond. Vanuit dat besef werd in 1990 de Ebony Band opgericht en in 2007 maakte hetzelfde gegeven een einde aan dit ensemble. Op 21 mei 2007 gaf de Ebony Band in Nijmegen zijn afscheidsconcert. De Ebony Band was een schepping van Werner Herbers, hoboïst van het Concertgebouworkest. Het was een kamerorkest van vooral blazers uit het KCO, dat in wisselende bezettingen optrad om muziek uit te voeren uit de eerste helft van de twintigste eeuw. En wel in het bijzonder muziek van de toenmalige avantgarde, de jazzy composities uit de Roaring Twenties en de muziek van componisten die door de nazistische ideologie als ‘Entartet’ werden beschouwd en van wie de meesten de oorlog en de kampen niet hebben overleefd. De Ebony Band stelde zich ten doel deze kostelijke erfenis aan muziek, die in vergetelheid was geraakt, op het podium te brengen, als eerbetoon aan die componisten en hun werk. Het ensemble deed musicologisch pionierswerk. Het trad met zijn programma’s overal in Europa en in New York en Toronto op. Desondanks raakte de Ebony Band in 2007, nog voor de grote ronde van bezuinigingen in de cultuursector, de benodigde subsidie kwijt. Voor de dankbare, volle zaal van De Vereeniging trad het ensemble voor het laatst in het openbaar op. De Ebony Band bestaat nu verder als documentatiecentrum en brengt nog wel CD’s uit met muziek uit de grote tijd van de avantgarde. Het sprankelende afscheidsconcert bood een rijke keuze uit dit repertoire, met werk van Erwin Schulhoff, de Suite from the Twenties van Stefan Wolpe, het vioolconcert van Kurt Weill voor viool en blazers en als wervelende uitsmijter La Création du Monde van Darius Milhaud. Het was tevens de afsluiting van het 57ste seizoen van de NSvK. De Schepping als dubbel afscheid. Dat getuigde van humor – de ironische humor van de avantgarde.

 

Buiten de tijd
6 januari 2009

Voor wie erbij was, zal het altijd een memorabel concert blijven. Op 6 januari 2009, een stille winteravond, zat Reinbert de Leeuw achter de vleugel op het sober verlichte podium. Hij oogde breekbaar. Bij uitzondering programmeerde de NSvK dat seizoen een negende concert, als eerbetoon aan deze pianist, dirigent en componist, vanwege zijn zeventigste verjaardag. Toewijding is misschien het begrip dat de muzikale loopbaan van De Leeuw al een halve eeuw het beste typeert. Absolute toewijding aan de muziek, vooral aan het bijzondere werk van bijzondere componisten, van Liszt tot Oestvolskaja. Reinbert de Leeuw bracht in de jaren zeventig heel Nederland aan Satie, hij richtte het Schönberg Ensemble op, gaf leiding aan het Tanglewood Festival of Contemporary Music en dirigeerde operapremières. Hij leeft, bijna obsessief, voor de muziek van componisten waarin hij gelooft. In Nijmegen ging hij de confrontatie aan met Franz Liszt – de late Liszt, die tegen zijn zeventigste afstand deed van het mondaine muzikale bestaan waarin hij een van de sterren van zijn tijd was geweest. In het laatste decennium van zijn leven ging hij karige, beschouwelijke muziek schrijven en maakte hij zich los van alle conventies van het componeren en de pianotechniek. Voor de pauze speelde Reinbert de Leeuw de zelden uitgevoerde zeven ‘Hongaarse historische portretten’, stemmige verbeeldingen. Het tweede deel van het concert was gewijd aan Via Crucis, de kruisgang die door Liszt in 1879 voor koor, vervolgens ook voor piano solo werd gezet. Reinbert de Leeuw is al tientallen jaren gefascineerd door dit werk. Het bevat, naar zijn mening, de mooiste noot uit de muziekgeschiedenis – de d in de vierde statie, die door Liszt zo eindeloos wordt uitgesteld en vermeden, dat hij voor de luisteraar tot een obsessie uitgroeit. Het moment waarop de d dan eindelijk toch klinkt, heel hoog en teer, is als een geestelijke en lichamelijke verlossing. Waarom was dit concert memorabel? Op ons podium hebben de grootste pianisten opgetreden, Cherkassky, Gilels, Ashkenazy, Brendel, Argerich, Zimerman, Lupu, Bolet, Hamelin, Berezovsky, Volodos en Sokolov. Zij en nog een heleboel anderen spelen zonder twijfel veel beter dan Reinbert de Leeuw. Maar weinig pianisten hebben aan de vleugel een indrukwekkender vergeestelijking gebracht dan hij deed op die zesde januari 2009.

 

KLR
19 november 2009

Vreemd genoeg was het pianotrio Kalichstein-Laredo-Robinson nog relatief onbekend in Nederland, hoewel het al decennialang tot de topensembles op dit gebied behoort. Het maakte zeer veel opnamen, maar wilde je het zien, dan moest je in Engeland zijn of in de VS. En aangezien Het Beaux Arts Trio inmiddels niet meer bestond, was er alle reden om dit trio naar Nijmegen te halen. Het is inmiddels bijna veertig jaar actief, al zou de naam van het trio kunnen doen vermoeden dat het hier slechts om een gelegenheidstrio zou gaan. Het trio ontstond in 1977, toen pianist Joseph Kalichstein, violist Jaime Laredo en celliste Sharon Robinson samen optraden bij de inauguratie van president Jimmy Carter. Zij hadden toen elk als solist al een grote naam in de VS, zoals deze uitnodiging toont. Laredo maakte kort daarvoor samen met Glenn Gould legendarische plaatopnamen van Bach’s vioolsonaten. In Nijmegen greep het trio voor zijn programmasamenstelling terug op enkele geheide tophits uit de prachtige literatuur voor pianotrio. Daar is absoluut niets mis mee, zeker als ze op zo’n hoog niveau worden uitgevoerd als door dit ervaren trio. De intensiteit en verstilling in Schuberts Notturno was indrukwekkend. Ook deze musici, met hun ruime ervaring, waren verbaasd over het grote aantal bezoekers en over de onwaarschijnlijk goede akoestiek. Of, zoals violist Jaime Laredo het formuleerde: ‘wij hebben zelf enorm genoten van het concert. Een fijn publiek, een fijne concertzaal met een uitstekende akoestiek.’ De grote zaal van De Vereeniging deed hem aan de Musikverein in Wenen denken. Heel Nijmegen glom natuurlijk van trots bij dit compliment, want de stad kan niet vaak genoeg horen wat voor een prachtig juweel zij binnen haar stadsgrenzen heeft staan.

 

Een feestelijke verjaardag
3 oktober 2011

Een feest was het : de opening van het seizoen 2011–2012. Niet één, maar liefst twee pianisten van wereldformaat betraden het podium, voor een dubbelrecital. De Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek kon het tweehonderdste geboortejaar van de grootste pianovirtuoos uit de negentiende eeuw niet beter gedenken dan met een optreden van Igor Roma en Enrico Pace, twee winnaars van het Franz Liszt Concours. Bij eerdere recitals in Nijmegen maakten beide pianisten al veel indruk. Igor Roma was te gast in januari 1999 met Bach, Liszt, Rachmaninov en de denderende zevende ‘oorlogssonate’ van Prokofiev. Enrico Pace bracht op 5 november 1996 een programma met Schumann, Brahms en Liszt. Op 17 mei 2004 trad hij nogmaals op, met de prachtige violist Frank-Peter Zimmermann. Naast Brahms en Bach stond toen de weinig gespeelde tweede vioolsonate in e opus 36a van Ferruccio Busoni op de lessenaars. Bij het herdenkingsconcert van oktober 2011 stond er louter Liszt op het programma en bleek wat een veelzijdige componist hij is geweest. De kosmopoliet Liszt werd vaak geïnspireerd door buitenmuzikale zaken, zoals een reis door Italië, een landschap in Zwitserland of de sfeer, thema’s en ritmen van Spanje en Hongarije. Hij vond zijn inspiratie ook in de muziek van andere componisten, zoals Mozart, Schubert en Wagner, waarover hij parafraseerde of die hij in bewerking aan zijn toenmalige publiek presenteerde. De twee grote Lisztvertolkers uit Italië – Roma meer extravert en hartstochtelijk, Pace ingetogen en poëtisch – presenteerden in hun duorecital de componist in al zijn facetten. Op het laatst zetten de meesters zich samen aan de vleugel om in perfect samenspel en met geinige terzijdes naar de zaal Hongaars vuurwerk te laten knallen. ‘Door de hoge kwaliteit van beide solisten was het niet mogelijk te “kiezen” – beiden waren eerste klas. Applaus voor beide solisten én voor de Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek!’, aldus het echtpaar Prick in de naklank op de website.

 

Deense streken
21 februari 2013

Geef ze een geblokt hemd en een bijl en je hebt er vier noeste houthakkers aan. Zo zien ze eruit. Maar schijn bedriegt, zoals zo vaak. De vier blonde jonge mannen van Den Danske Strygekvartet, dat internationaal bekend staat als The Danish String Quartet, zijn fijnzinnige musici. Hun kwartet, opgericht in 2002, behoort tot de beste jonge ensembles van deze jaren. Het won prijzen op de grote concoursen. Hun CD-opnamen van de strijkkwartetten van Carl Nielsen en Paul Hindemith zijn de mooiste van de laatste jaren. Een aantal van de grote kwartetten van de afgelopen decennia heeft afscheid genomen van de wereldpodia: het Alban Berg Kwartet, het Tokyo Kwartet, het Vermeer Kwartet, die allemaal bij de NSvK te gast zijn geweest. Er is de wereldtop van nu, met het Emerson, het Artemis, het Leipziger, het Brodsky, het Jerusalem, het Prazak en het Hagen Kwartet. Maar er is plaats voor een nieuwe generatie, die van het Ebène Kwartet, het Elias Kwartet, het Arcanto Kwartet, het Pavel Haas Kwartet en het Danske Stryge Kvartet. De NSvK streeft ernaar steeds ook het minder gangbare repertoire op het podium te brengen, bijvoorbeeld de prachtige strijkkwartetten van Carl Nielsen. Wie zouden dat werk beter kunnen uitvoeren dan de Denen van Den Danske Strygekvartet? Zij openden hun Nijmeegse concert met het eerste strijkkwartet, Tien Preludes, van een andere landgenoot, Hans Abrahamsen, muziek die expressief-modern begint maar geleidelijk aan stiller en traditioneler wordt. Het prachtige derde strijkkwartet in Es opus 14 van Nielsen, grillige, zoekende en complexe laatromantische muziek, vormde het hart van het concert. Maar het hoogtepunt was Beethovens grote strijkkwartet in a opus 132, met het indrukwekkende Heilige Dankgesang eines Genesenden an die Gottheit, inderdaad gespeeld ‘Mit innigsten Empfindung’. En dan als toegift een bewerking van Scandinavische volksmuziekjes. Heiligschennis? Vonden de Denen niet. Dat was gezond.

 

Vaste vrienden
1 december 1998 | 18 januari 2001 | 30 oktober 2002 | 24 november 2004 | 17 februari 2010 | 5 november 2014

‘Wat een geweldig ensemble!’, ‘Wat een samenspel!’, ‘Zo goed op elkaar ingespeeld!’, ‘Dit is wel het mooiste kamermuziekconcert dat ik heb meegemaakt!’ gonsde het in de wandelgangen en bij de garderobe, na het daverende en welverdiende applaus voor het Leipziger Streichquartett in november 2014, met uitvoeringen van Beethovens ‘Harfenquartett’, Dvořáks tweede strijkkwintet en Schuberts ‘Forellenquintett’ . Ook naklankschrijfster Ruth Pasternak was laaiend enthousiast. ‘Bewonderenswaardig vind ik de manier waarop ze met zijn vieren lijken te ademen. De vier musici vormen een transparante eenheid. (…) De kracht van dit kwartet is de bekwaamheid om steeds één instrument glashelder naar voren te laten treden. Het kwartet beschikt over een vermogen om elkaar te laten schitteren door te blijven begeleiden. Dat het echte kwartetleden zijn en geen solisten, is wel merkbaar. (…) De muzikaliteit spatte ervan af.’ Dat gold ook voor de samenwerking met contrabassist Alois Posch en pianist Christian Zacharias. Ook bij eerdere bezoeken aan De Vereeniging bracht ‘het beste Duitse strijkkwartet’ vaak gastmusici mee. In 2001 de beroemde klarinettist Karl Leister, in 2004 Christian Zacharias, met wie de Leipzigers een memorabele vertolking van Dvořáks tweede pianokwintet in A opus 81 gaven, en in 2010 het pianoduo Yara Tal en Andreas Groethuysen. In 2002 groeiden zij tijdens het programma van kwartet (Beethoven) naar sextet (Schönberg) naar oktet (Mendelssohn). Maarten-Jan Dongelmans sprak in zijn recensie over ‘ragfijn samenspel en een perfecte balans’. In ‘Verklärte Nacht’ van Schönberg wisten zij een zinderende spanningsboog op te bouwen met ‘hartstochtelijke en tedere emoties’, waardoor het publiek ademloos zat te genieten. In 2010 klonk het Oktet van Mendelssohn wederom, maar nu in een bewerking voor strijkkwartet en piano vierhandig, met het fantastische pianoduo Tal-Groethuysen, in een geheel aan Mendelssohn gewijd concert. Zes keer heeft het Leipziger Streichquartett nu in de kamermuziekserie opgetreden en het zal het laatste bezoek aan De Vereeniging niet zijn. Zo is het in de voetsporen getreden van het Quartetto Italiano.

 

Wie niet kwamen, en wie wel

In 65 jaar hebben veel van ‘s werelds grootste solisten en ensembles opgetreden in de serie van de NSvK. Het bestuur krijgt ook het hele jaar door aanbiedingen uit binnen- en buitenland, want bijna iedereen wil wel eens spelen in deze geweldige zaal voor een zo enorm publiek, of wil er terugkomen. De musici op het podium ervaren zonder uitzondering de sfeer en klankkwaliteit van de grote zaal als inspirerend. Hun spel wordt als het ware de zaal in gedragen. Toch hebben we niet alle grootheden van het verleden in de serie gehad. Arthur Rubinstein heeft hier nooit gespeeld en ook Vladimir Horowitz niet. Glenn Gould stopte vroeg met zijn podiumcarrière. Evenmin hebben Yasha Heifetz, Yehudi Menuhin, David Oistrach – wel zijn zoon Igor Oistrach – en Maxim Vengerov op onze programma’s gestaan. Er is een categorie solisten die als regel alleen in de beroemdste zalen van hoofdsteden wil optreden, en sommigen zijn gewoon te duur voor een enkele avond. Het Concertgebouw kan prijzen van € 90 voor een losse kaart vragen. In Nijmegen gaat dat niet. Daarom zult u voor Murray Perahia, Maurizio Pollini, Maria João Pires of Lang Lang nog naar Amsterdam moeten. Een enkele keer ziet de NSvK zich geconfronteerd met een zieke of geblesseerde solist. Nagenoeg altijd is het bestuur erin geslaagd te elfder ure een waardige vervanger te laten komen, uit welke hoek van Europa ook. Boris Berezovsky nam in februari 2008 het vliegtuig uit Moskou om in te springen voor de Turkse pianist Fazil Say. Later dat jaar kwam Koningin Elizabeth-winnares Anna Vinnitskaja vanuit Hamburg om een briljant recital te geven in de plaats van Plamena Mangova, die zich op de ochtend van de concertdag had afgemeld. De ingetogen meesterpianist Dezsö Ránki heeft ons al twee keer uit de verlegenheid gered, in januari 2005, toen zijn landgenoot András Schiff uitviel en in het afgelopen seizoen, toen Pjotr Anderszewski verstek moest laten gaan. In februari 2012 trad de Belgische sopraan Laure Delcampe op met het Oxalys Ensemble, als vervanger voor Christianne Stotijn, en zong het prachtige Chanson Perpétuelle van Chausson. Zo geldt voor het podium en voor het publiek: wie niet kan komen, heeft pech. Wie niet komt, heeft ongelijk.

 

Het publiek maakt de muziek

Om kamermuziek te maken zijn maar een paar spelers nodig. Zo is de muziek voor klein ensemble ook begonnen, als huismuziek. In kamermuziek spelen de musici, vaak familieleden, vrienden, vriendinnen, allereerst voor elkaar. Soms is er een klein publiek bij, in de huiskamer of de muzieksalon – familie, vrienden, een paar genodigden. In deze vorm bestaat de kamermuziek al eeuwen, tot op heden. Daarnaast is in de achttiende en negentiende eeuw een professionele muziekpraktijk ontstaan. Veeleisende composities vroegen om zeer goede spelers; de componisten werden kunstenaars die in hun werk een hoger verhaal te vertellen hadden. De kamermuziek ging naar de concertzaal. De meeste concertgebouwen die in de negentiende en twintigste eeuw zijn neergezet als tempels voor de muziekkunst, hebben behalve een grote zaal voor de symfonische muziek een kleine zaal, voor de kamermuziek. Ook De Vereeniging heeft haar kleine zaal, misschien de mooiste ruimte van het hele gebouw, met de blauw en goudkleurige wandschilderingen die de muzieksoorten verbeelden, door Huib Luns en Henri Leeuw jr. Daar is ooit in 1917 de Nijmeegsche Vereeniging voor Kamermuziek begonnen. Maar omdat de akoestische kwaliteiten van de grote zaal het mogelijk maken daar zelfs de intiemste kamermuziek uit te voeren, speelt de serie van de NSvK zich, zij het met een onderbreking van twintig jaar, sinds 1950 af in deze weidse maar sfeervolle ruimte. De enthousiaste getuigenissen van de wereldsterren die op het Nijmeegse podium hebben opgetreden, laten duidelijk zien hoe graag zij hier spelen en hoog deze zaal internationaal staat aangeschreven. Toch is het niet alleen de kwaliteit van de zaal die voor de musici het optreden tot een feest maakt. Telkens weer bedanken zij ook het Nijmeegse publiek. ‘What a wonderful space, visually as well as acoustically, but the best element was the audience!’, schreef het New Zealand String Quartet op 2 november 2005. ‘We loved sharing the music with you.’ Zeker, professionele musici spelen ook voor zichzelf en voor elkaar, maar niet minder voor het publiek. De aandachtige, geconcentreerde luisteraars, de kenners, de liefhebbers die deze avond speciaal naar de concertzaal gekomen zijn – zij inspireren de musici tot hun beste prestaties. De wijn is drinkbaar dankzij het glas, dichtte Harry Mulisch. Muziek komt tot leven door een publiek. Muziek wil gehoord worden. U, het publiek maakt de concerten niet alleen mogelijk, u bent tegelijk de stille maar essentiële speler in het ensemble, de resonans voor de muziek, de minnaar of minnares die verleid wil worden, de belofte van dankbaar applaus, de zin van het concert. Dank daarvoor, dames en heren, en blijft u vooral komen.

_

Verantwoording

De teksten in dit jubileumboekje zijn geschreven door Remieg Aerts, Ellen von Holtz en Gerard op het Veld. Het materiaal voor de teksten komt uit eigen concertervaringen, programmafolders, het gastenboek van De Vereeniging, recensies in De Gelderlander en het Nijmeegs Dagblad, concertbesprekingen op de NSvK-website, en Melchior Bogaarts’ Gouden tonen. Vijftig jaar Kamermuziek in Nijmegen 1950–2000: geschiedenis, programma’s, recensies (Nijmegen 2000). De inleiding en de teksten over Jan Smeterlin, Rosalyn Tureck, het honderdste concert, Jorge Bolet, de Ebony Band, Reinbert de Leeuw, het Danske Stryke Kvartet, Janine Jansen en Wie niet kwamen, en wie wel, en Het publiek maakt de muziek zijn van Remieg Aerts. De teksten over het Quartetto Italiano, Ingrid Haebler, Julian Bream, Seizoen 1976–1977, Yo Yo Ma, Topseizoen 1990–1991, Quatuor Psophos, Till Fellner & Viviane Hagner, Enrico Pace & Igor Roma en het Leipziger Streichquartett zijn van Ellen von Holtz.

De teksten over Clara Haskil, Gérard Souzay, Alfred Brendel, het Beaux Arts Trio, Martha Argerich en Nelson Freire, Liza Ferschtman en Inon Barnatan, Bernarda Fink, het Brodsky Kwartet en het Trio Kalichstein-Laredo-Robinson zijn van Gerard op het Veld.

Deze website maakt gebruik van cookies

Cookies’ zijn kleine bestandjes die met website-pagina’s worden meegestuurd, en door de browser op uw computer worden opgeslagen. Er zijn voor verschillende doeleinden ook verschillende soorten cookies, voor sommige daarvan is uw toestemming nodig. Als u daar niet mee akkoord gaat, dan plaatsen wij alleen de zgn. functionele cookies. Als u meer wilt weten over de cookies die wij gebruiken, de gegevens die daarmee verzameld worden en over uw rechten op dit punt, lees dan onze privacy-verklaring.