21 februari 2022

Pavel Haas Quartet

Gemma Pappot

Briljant en krachtig

Voor de derde keer was het Pavel Haas Quartet te gast bij de NSvK in De Vereeniging. Dit keer bij een bijzondere gelegenheid: het was weer mogelijk de hele zaal open te stellen voor het trouwe abonnementspubliek en dat gaf een heel feestelijke sfeer.

Het programma was verrassend: voorafgaand aan het 13de strijkkwartet van Antonín Dvořák stonden namen van twee minder bekende componisten: Josef Suk en Erich Wolfgang Korngold… een naam die veel moois deed vermoeden. Inderdaad een Oostenrijker, en dan zijn Salzburg en Mozart niet ver weg. Maar er klonken heel andere akkoorden, modern en opwekkend.

Het concert opende met een stuk getiteld Meditatie over Sint Wenceslaus-koraal, maar was allesbehalve meditatief. Het werd gecomponeerd in 1914, toen Tsjechische gebieden onder het gezag van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk (Sissi!) vielen. Vanwege de verplichting concerten te openen met het Oostenrijkse volkslied besloot Suk dit aan te vullen met een muziekstuk geïnspireerd op een bede tot de heilige Wenceslas, leenman van Bohemen. ‘Vergeet toch uw volk niet…’ Alsof in deze tijd een componist uit Oekraïne… enfin. Als een verrassend luide smeekbede klonk het, dit openingsstuk.

Het programma stond deels in het teken van Tsjechië en Midden-Europese spanningen; Suk was leerling en schoonzoon van Dvořák, en de Joodse Korngold vertrok in 1938 definitief naar de VS om zich in Hollywood te vestigen en daar vooral bekend te worden vanwege zijn filmmuziek. Het stuk van Korngold (voor de uitvoerenden tot voor kort nog vrij onbekend) was dé grote verrassing van de avond. Het strijkkwartet no. 3 uit 1945 bleek een heerlijk onstuimig stuk muziek dat met groot enthousiasme (de cellist in het laatste deel!) werd uitgevoerd. Een stille, aandachtige volle zaal… een sprankelend spel van dissonanten en in variabele herhalingen gevatte melodieën: hoe lang hadden we dat niet mogen beleven.

Na een verblijf van drie jaar in New York (van 1892 tot 1895) waarin zijn Amerikaanse werken ontstonden, keerde Dvořák vol enthousiasme terug naar Tsjechië, waar hij al een rijk muzikaal verleden had liggen. Daar componeerde hij zijn twee laatste strijkkwartetten, waaronder het 13de dat het sluitstuk van de avond vormde. Het viel me op dat onderscheiden delen soms afsloten met zware herhalingen, die de luisteraar de stereotiepe slotakkoorden doen verwachten. Maar er waren ook zeer lieflijke passages, die al snel door – naar mijn smaak – heftiger klanken werden verdrongen. In het laatste deel viel vooral de partij van de altviool op met gedreven lijnen: briljant en krachtig gespeeld door de tengere Luosha Fang die recent deel is gaan uitmaken van dit dynamische en jeugdige kwartet.

— Gemma Pappot