10 juli 2019

Alexander Melnikov

Anne Petterson

Opgaan in de muziek

Een betere aanleiding dan het openingsconcert van het zeventigste jubileumseizoen van de Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek had ik mij natuurlijk niet kunnen wensen. Als nieuwe inwoner van de stad was ik de afgelopen weken volop bezig geweest om Nijmegen te leren kennen. Fietsend over het Keizer Karelplein had ik het gebouw met die fraaie art nouveau-elementen al een paar keer van de buitenkant bewonderd. Maar deze avond mocht ik dan voor het eerst bij De Vereeniging naar binnen.

Op het programma stonden drie werken door de Russische toppianist Alexander Melnikov. Melnikov opende zijn programma met de Wanderer Fantasie van Schubert. Hoewel de titel een dromerige tocht door een Winterreise-achtig landschap doet vermoeden, is dit Schubert op z’n wildst. Het stuk kent een krachtig ritme, dat voortdurend in nieuwe en verrassende gedaantes terugkeert, en Melnikovs vingers raasden indrukwekkend snel over het klavier.

Na Schubert volgden de meer melancholieke tonen van Brahms’ Sieben Fantasien. In een heldere, beheerste stijl presenteerde Melnikov ons energieke capriccio’s afgewisseld door meer meditatieve ‘intermezzo’s’ die door hun zoekende karakter het interessantste deel van dit pianowerk vormen.

Het hoogtepunt kwam voor mij echter na de pauze, met twaalf Préludes (boek II) van Debussy. Een hinderlijke pieptoon in de zaal dreigde even roet in het eten te gooien, maar het bestuur stelde alles in het werk om de bron te traceren. Want juist Debussy heeft stilte nodig.

Melnikov nam mij en de rest van de zaal mee in die typisch dromerige wereld waarin associaties en emoties vrij beginnen te stromen. Debussy’s aaneenschakeling van motieven – van geheimzinnige klanken tot vertrouwde melodieën, van fragiele passages tot humoristische verwijzingen naar bijvoorbeeld het ‘God Save the Queen’ – dagen je als luisteraar uit om je eigen verhalen te gaan vormen.

Misschien kwam het door Debussy. Of door de extra concentratie die Melnikov nodig had om de Préludes deze avond te kunnen spelen. Maar waarschijnlijker is het dat ik zelf na deze drukke weken vol verhuis-stress eindelijk even de rust vond. Want daar was dan eindelijk dat magische moment. Bij een van de laatste preludes, Canope, stopten mijn gedachten. Niet langer was ik bezig met alle klusjes op mijn werk, de nieuwe mensen die ik tijdens de pauze had leren kennen, of het feit dat ik dit weekend toch echt die laatste dozen eens uit moest gaan pakken. Eindelijk kon ik volledig opgaan in de muziek.

De concentratie die Melnikovs spel in de tweede helft afdwong, werd door het gehele publiek met een staande en welgemeende ovatie beloond.

— Anne Petterson